steen in de vijver punt info
→ KAN DEMOCRATIE ZONDER KUNST?
 
 
Is kunst een voorwaarde voor democratie? Als dat zo is, dan is kunst meer dan een persoonlijke hobby en heeft ze juist daarom een wezenlijk publiek belang. Steen in de vijver wil onderzoeken wat kunst kan bijdragen aan onze hedendaagse samenleving. Deel onze missie, en denk mee!

→ bijdrage@steenindevijver.info



Eindhoven, 2 juni 2014: De NRC-lezer van afgelopen weken moet zich soms van onbegrip achter de oren gekrabd hebben. Kunstenaars krijgen geen honorarium voor een solotentoonstellingen in musea (nrc.nl) en in New York veilt Christie’s 40 kunstwerken voor een half miljard (nrc.nl). Maar in Nederland zijn we sinds 2010 80 galeries armer (nrcq.nl). Twee keer theaterbezoek per jaar evenaart een gevoelsmatig groei in welzijn die overeenkomt met een salarisverhoging van een 1225 euro, maar we bezoeken minder theaters sinds de bezuinigingsronde van 2010 (nrc.nl). Jonge theatermakers sturen uit wanhoop een brandbrief naar de minister omdat ze zonder productiehuizen nergens aan de bak komen. (nrc.nl) Maar we bezuinigen nog eens circa 20 miljoen op het maken van theater, maar investeren wel 1,2 miljard in verbouwing en nieuwbouw van theaters. (nrc.nl). Het woord dat zich opdringt is: regie.

Als het kunstlandschap een polder was, dan krijg je de indruk dat de helft van een weiland kurkdroog gepompt wordt, terwijl de ander helft onderwater staat. Het droge deel is zo droog dat er niets meer op groeit, aan de natte kant verdrinken de plantjes. Vanaf een afstand lijkt het zo simpel. Iets minder bouwen, iets meer theater maken. Room de winsten van de kunsthandel af en zorg dat ook levende kunstenaars profiteren van hun onsterfelijke en onbetaalbare voorgangers.

Natuurlijk is het niet zo makkelijk en is alles begrijpelijk. Bouwbudgetten en kunstbudgetten zijn niet hetzelfde. De eerste incidenteel, de tweede structureel. Dat half miljard wandelt door New York en komt uit China, Saudi-Arabië of Rusland, daar heeft Nederland niets mee te maken. Als je van theater zo gelukkig wordt, bewijst het zich als goede investering: twee kaartjes € 25 per stuk en een geluksgevoel ter waarde van 1225 euro. Kortom, de burger is een dief van zijn eigen geluk als het zich niet op die rode stoel laat ploffen, daar heeft de overheid geen functie.

Maar toch, als je erover nadenkt bekruipt je het gevoel dat er iets niet klopt. Want hoe immens ook, het zijn menselijke systemen waarover het gaat. De kunstmarkt, de bouwmarkt, de kunstsubsidies, ze worden allen omkaderd door wetten en beïnvloed door beleidsbeslissingen. Het zijn systemen, waar je soms lokaal, soms nationaal en soms internationaal invloed op zou kunnen uitoefen. Waarom verzanden we dan continue in discussies over een vierkante meter van het hele speelveld? En hoe komt het dat de minister en het kabinet dat in hun oneindige wijsheid besloten heeft om praktisch niets van de schade van Rutte I te repareren volledig buiten schot blijft?

Als je probeert wat afstand te nemen dan zie je een wereld waarin de media, de fondsen, de instituties, de makers en de markt, elkaar op ongelukkige wijze in de houtgreep houden. We zijn alle te sterk gericht op de details waarmee de grote vragen buiten schot blijven. Als kunstenaars zo weinig verdienen en het duidelijk is dat er wel geld is in de kunsteconomie, wie moet daar dan regie op voeren? En hoe? Het Mondriaan Fonds doet nu een goede poging, maar welke rol heeft de minister? En moet je niet internationaal in gesprek? Als theater ons zo verrijkt, waarom gaan we er dan zo slordig mee om? Waarom bouwen we theaters, maar investeren we steeds minder in theater zelf? En wanneer kijken we eens serieus naar het ondersteunen van de verkoop van kunst (en misschien ook voor de niet-miljonair), zodat ook de kunstmarkt in Nederland wat rijker en gevarieerder kan worden? Die vragen stellen we nog veel te weinig, verblind als we zijn door alle details en ad hoc oplossingen. Iedereen kijkt naar elkaar, maar niemand naar het geheel.

Steven ten Thije
Eindhoven, 5 mei 2014: In zijn column Orakel van twee weken terug bekritiseerde Bas Heijne het kunstwerk van Atelier van Lieshout dat vandaag op de Dam onthuld wordt. Een kop van staaldraad die ongecensureerd tweets uitspreekt die mensen hem toesturen. Van Lieshout noemt het een orakel en afgodsbeeld, Bas Heijne ziet erin de doodlopende straat die vrijheid gelijkstelt met ‘alles moet kunnen’. Maar bewust of onbewust, de buikspreekpop van Van Lieshout voelt niet alleen als een personificatie van een valse vrijheid, maar ook als beklemmende spiegel van het huidige moment. Een beeld dat zegt wat andere denken, roept de associaties op van een politiek leider die stelt dat een visie het zicht op de werkelijkheid ontneemt. Beiden reduceren de wereld tot allesoverheersende status-quo. De kunst en de politiek als doorgeefluik van een sensus communis gevat in 140 tekens.

Beiden fenomenen zijn symptomen van een crisis in een democratie die zich blindstaart op spiegelen en niet meer wil zoeken. Het doel van de huidige democratie lijkt te zijn om de wereld in zijn totaliteit op televisie en internet te verdubbelen: volledige, maar lege representatie. Een wereld waarin iedereen praat, maar niemand luistert.

Ik moest aan Heijnes column denken toen ik afgelopen weekend door Berlijn liep met een vriend en we in gesprek raakt over een schilderij van Casper David Friedrich waarop een eenzame monnik naar de zee kijkt uit 1810. Het schilderij is zo leeg dat een tijdgenoot van het werk zei dat kijken ernaar was: alsof de oogleden zijn weggesneden. De haast fysieke pijn die de tijdgenoot van Friedrich voelde, doet denken aan de boosheid van Heijne over Van Lieshouts gemakzuchtige reflectie op vrijheid. Waarom wil de kunstenaar ons niets meer vertellen? Wat moeten we met die omlijnde leegte op de Dam?

Het grote verschil is alleen dat Friedrich zijn monnik niet introduceerde als een positief voorstel, maar hem juist poneerde als waarschuwing. De peinzende monnik was voor Friedrich de personificatie van de mens die niet meer luisterde naar de wereld, maar haar reduceerde tot wat hij ervan kon begrijpen. Friedrich was angstig over de neiging van zijn tijdgenoten om van de werkelijkheid alleen maar logisch te benaderen. Wat gebeurt er met de wereld die niet past in 140 tekens? Hij maakte daarom nog een tweede schilderij dat wel verlossing bracht en subtiel de kijker verleide tot zien.

Het mag apocrief zijn om het te suggereren, maar ik zie Friedrichs twee schilderijen als een van de eerste moderne kunstwerken die zich bewust verhouden tot een nieuwe, meer democratische wereld. Friedrich wilde tegenover het dominante rationalisme dat alles logisch wilde verklaren een kunst zetten die verleide om te horen, zien of voelen wat nog niet bekend was. Kijken naar de wereld vereiste juist dat je je vaste denkbeelden opschortte en je openstelde voor het geheim van de wereld dat zich woordloos inprent in je zintuigen.

Die wil om je zintuigen te begrijpen als de poorten waardoor de ander kon binnenkomen in zijn anders-zijn, dat is voor mij een omslag van een voormoderne naar een moderne kunst. De voormoderne kunst richtte zich op God en de koning en bevestigde de juistheid van de schepping en zijn macht in een ideale representatie. Hij kwam en zag dat het goed was, en als de gewone mens dat niet zag, dan hielp de kunstenaar een handje. In de moderne wereld waarin de macht ligt bij de mensen, moesten ze samen zoeken en konden niet te raden gaan bij een hogere instantie. Er was geen vast ijkpunt meer, maar een dynamisch proces van samen een ideaal formuleren. Een ideaal dat niet meer het bezit was van een hoge(re) macht, maar een collectieve productie. Het kunstwerk gaf daarbij niet zozeer het antwoord, maar wel de middelen om samen te kunnen zoeken. Het dicteerde niet meer, maar nodigde uit om zelf te kijken en om het proces van het kijken – het langzaam iets herkennen – te oefenen.

Zo bezien zou je Van Lieshouts beeld ook als een middel kunnen begrijpen dat ons helpt om samen na te denken over de wereld. We kunnen immers toch door middel van tweets met elkaar praten? Maar ik vrees dat Heijne gelijk heeft als hij zegt dat het een simplificatie is die het tegenovergestelde bereikt. In de schilderijen van Friedrich gingen denken en voelen een wisselwerking met elkaar aan. In Van Lieshouts Orakel trekt alles samen en houden gedachte en gevoel elkaar in een ongelukkige houtgreep. Doordat het werk uitnodigt tot spreken is dat ook het enige dat overblijft. Je luistert niet meer, maar denkt alleen maar: wat moet ik (terug) zeggen? Het werk zegt: spreek! En vraagt niet zachtjes: luister... En dat is jammer. Want als de kunst dat zou vragen, dan zou een politicus misschien weer verleid kunnen worden om te zeggen: mag ik u meenemen door u te vertellen wat ik heb gezien?

Steven ten Thije
Amsterdam, 17 december 2013: Er is geen rechtsector. De regelingen voor de rechterlijke macht, de wetgever, de advocatuur, het openbaar ministerie, de politie, het gevangeniswezen en de reclassering onder andere zijn apart geregeld. Ze hangen natuurlijk samen, maar dat kan van elk aspect worden gezegd. Alles hangt met alles samen. De kwaliteit van de openbare ruimte betekent veel voor het werk van de politie. Niemand zegt: de ingrepen in de rechtsector moet maar aan de verantwoordelijkheid van de rechtsector worden overgelaten.

Er is geen milieusector. Wel is er een speciale regeling die de bescherming van het milieu op het oog heeft, maar de waarde van het milieu moet bij alles worden meegewogen. De industriële sector valt misschien nog het meest samen met een fictieve milieusector.

Zo is de cultuursector ook fictief. Zij bestaat niet. Kunst, breder cultuur, is bij alle activiteiten van belang, maar vormt geen sector. De ontwikkeling van alle kunst, het bestaan van kunst, het verspreiden ervan of de reflectie erover zijn waardevolle activiteiten, maar op de verschillende gebieden van de cultuur zo onderscheiden dat zij niet met elkaar een sector vormen. Het beleid voor architectuur moet toegesneden zijn op de eisen van de openbare ruimte, de ontwikkelingen in het vastgoed, de Europese eisen, de wijzen waarop mensen samenwonen, de eisen die aan bedrijvigheid worden gesteld en zoveel meer. Dat staat ver van het beleid dat voor de beeldhouwkunst moet worden gevoerd. Natuurlijk zijn er raakvlakken te benoemen, geen punt. Alles hangt immers met alles samen.

Het beleid voor alle culturele activiteiten rubriceren als het beleid voor de cultuursector veronderstelt een te grote samenhangen tussen al die activiteiten en veronderstelt zeker een te gemakkelijk uniform beleid. Het is een framing vanuit het centrale gezag, die alleen maar dient ter rechtvaardiging van het afschuiven van de verantwoordelijkheid naar buiten het ministerie. Er moet goed gekeken worden naar passend beleid voor alle onderdelen. Dat is een taak voor de Minister van Cultuur.

Er is nimmer sprake geweest van een uniform cultuurbeleid. Schrijvers zijn anders benaderd dan violisten. En terecht. Modeontwerpers kunnen niet weten wat goed beleid is voor toneelspelers. Heftige bezuinigingen op onderdelen van de cultuur worden nu, door de minister en Daamen afgeschoven naar de verantwoordelijkheid van een fictieve sector. Dat is pas echt spookbeleid.

Inge van der Vlies
Eindhoven, 9 december 2013: ‘Het Nederlandse kunstenbestel is te groot, te versnipperd, wordt ingehaald door globalisering en wekt vrijblijvende ‘consumptie’ in de hand.’ Het zijn harde woorden van Melle Daamen, directeur van de Stadsschouwburg Amsterdam en lid voor de Raad voor Cultuur. Ze zouden op zijn plaatst zijn als hij er een visie tegenover zou zetten, maar daar geeft Daamen helaas niet thuis. Hij pleit in zijn stuk vooral voor twee zaken: 1) Het terugbrengen van productie en 2) schaalvergroting. Het is de kille toon van een directieve beleidsmedewerker die het met minder beter wil doen. Musea samenvoegen, programmeurs delen, ballet en opera importeren, minder, maar meer onderscheidende kunstinstellingen. Dat zijn de ‘knuppels’ die hij in het hoenderhok gooit. Hij mist ermee zijn eigen boot. Hij begint zijn artikel met het constateren dat Zijlstra niet inhoudelijk heeft gekozen en dat zowel de politiek als het veld visie mist, maar hij laat zelf de basisvraag liggen. Waarom wij als democratische gemeenschap kunst zouden moeten ondersteunen, Daamen vraagt het zich niet af.

Die steen werp ik graag opnieuw in de vijver. Als we daar niet over praten blijven we ons richten op de dweil en niet de kraan. Wat draagt kunst bij aan het goed functioneren van een democratie? Hoe zorg je daar voor en wat is het ons waard? Dat zijn volgens mij de vragen in de goede volgorde.

Kunst heeft in elke samenleving een functie en vindt in elke samenleving een plek, maar wat is die plek een democratie? Het is een dooddoener, maar democratie is niet makkelijk. Immers wil het werken, dan moet iedereen meedoen. Iedereen moet nadenken over het algemeen belang en zich daarover uitspreken. Dat vraagt om een ongelofelijk uitgebreid en wijdvertakt gesprek waarin continue opvattingen en ideeën opborrelen, transformeren, verspreiden en weer verdwijnen. Democratie is geen gegeven, maar een doorlopend proces. En wij bepalen de kwaliteit van dat proces. Daarvoor moeten we kunnen luisteren en spreken, denken en voelen. Vaardigheden die je niet zomaar hebt, maar die je moet koesteren. Kunst helpt ons koesteren.

Kunst maakt dat we meer horen, zien en voelen. Maar nog belangrijker kunst daagt ons uit om daarover na te denken en een eigen oordeel te vellen. We luisteren naar iets en vinden het mooi of niet mooi, verassend of verschrikkelijk, en gaan vervolgens met elkaar in gesprek over het waarom. Kunst verbindt emotie en ratio en legt nieuwe verbanden in onze hersenpan tussen ervaringen en gedachtes. Verbanden die aan de basis liggen van het democratische proces. Kunst is om deze reden geen vrijblijvende kers op de taart, of een leuke stimulans voor het bedrijfsleven, maar is een structureel onderdeel van een goed functionerende democratie. (En om een zijstap te maken: dat is ook waarom kunst een stimulans kan zijn voor het bedrijfsleven. Ze maakt de gemeenschap sterker en daarmee stabieler en dat is goed voor zaken.)

Kijk je vanuit deze visie naar de ‘overproductie’ van Daamen en dan valt op dat deze net zo onuitgewerkt als datgene wat hij bekritiseert. Hij noemt de ‘keten’ van kunsteducatie, naar amateurkunst, naar toptalent, een mogelijke wassen neus, maar het causale verband tussen terugbrengen van aanbod en verdieping en draagvlak vind ik net zo gebrekkig onderbouwd. Ontstaat die verdieping zonder investering? Ik vraag het me af. We kunnen best minder en misschien slimmer te produceren, maar het geld dat daarmee vrijkomt zou in mijn ogen gebruikt moeten worden om een historische scheefgroei aan te pakken. Decennia lang ondersteunen we met publiek geld de productie en presentatie van kunst, maar laten we de receptie over aan de markt. Dit soort weeffouten in het huidige bestel moeten worden aangepakt. Alleen als je alle drie de fases van productie, presentatie en receptie ondersteunt, schep je een goede basis voor kunst in een democratie.

In zijn huidige vorm is Daamens verhaal vooral een voorsorteren op nieuwe bezuinigingen. Zonder visie, en zonder schroom. Van een lid van de Raad voor Cultuur, ook al schrijft deze op persoonlijke titel, verwacht ik toch een meer constructieve en inhoudelijke bijdrage.

Steven ten Thije
Eindhoven, 14 november 2013:
Een paar dagen geleden schreven Jeroen Bartelse en Mathieu Weggeman van de Raad voor Cultuur een kritisch en opbouwend stuk naar de minister over het gevoerde beleid. Een week daarvoor was Jürgen Habermas in ons land, de last-man-standing van de fameuze Frankfurter Schüle. Hij is op dit moment een van de meest indringende pleitbezorgers van een sterker en democratischer Europa. In Nederland hebben die twee dingen niets met elkaar te maken. Kunst gaat over kunst, democratie over democratie en economie over economie. Zoals Nederland eruit ziet vanuit de lucht, zo zit het ook in ons hoofd: een prachtige lappendeken met ieder zijn eigen polder.

Maar leven doen we niet in een vliegtuig. Alles heeft met elkaar te maken. Kunst en democratie horen bij elkaar. Als je daarover begint, zie je snel de ogen wegrollen. Doe toch niet moeilijk; kunst is kunst, en democratie, democratie. Die reactie komt van alle kanten, kunstenaars, politici, zakenmensen; mensen die dichtbij me staan, mensen die ik amper ken. De angst is dat wat bij elkaar hoort hetzelfde moet zijn. Dat kunst dan democratisch moet worden of een politiek thema moet behandelen. Maar dat hoeft niet, of sterker nog, dat is juist niet wat ik bedoel. Kunst als kunst hoort bij de democratie, ongeacht of het kunst is die een politieke boodschap heeft.

Dingen die in relatie tot elkaar staan, vervullen nog steeds een eigen functie. De heren van de Raad voor Cultuur stellen het klip en klaar. De ‘esthetische waarde’ moet in kunstbeleid centraal staan. ‘De essentie van kunst is het bieden van schoonheid, ontroering, verbeelding, verrassing. Elke visie, elke kunstbeleidsmaatregel moet uiteindelijk recht doen aan die waarde. Geen enkele andere deelverzameling van de cultuur - sport, economie, wetenschap, religie - doet zo'n expliciet beroep op esthetiek.’ Waarom is die ‘schoonheid, ontroering, verbeelding, verassing’ een publiek belang? Waarom is esthetiek een zorg van de gemeenschap en niet alleen een behoefte van het individu?

Wil je op die vragen antwoord geven, dan is het behulpzaam om bij onze eminente Duitse gast van vorige week te raden te gaan. Habermas legt in zijn democratiebegrip de nadruk op communicatie; het uitwisselen van ideeën als het hart van de democratie. Maar hoe doe je dat? Hoe schep je een klimaat waarin mensen naar elkaar luisteren en vaardig genoeg zijn om hun eigen gedachtes treffend en pakkend te verwoorden? Daarvoor moet je mensen niet alleen de grammatica van de taal leren, maar moeten ze leren spreken en luisteren. Dat is letterlijk een kunst. Praten is geen heldere rekensom met eenduidige regels, maar een complexe knoop van emotie, eigen observatie en rationele argumenten.

Denk bijvoorbeeld aan het Zwarte Piet-debat. Dat is zo’n fel debat omdat het niet zozeer om argumenten gaat, maar om allemaal emoties. Leuke herinneringen aan gezellige, geborgen avonden met je meest dierbaren, staan tegenover gevoelens van vernedering en afwijzing. Schaamte, verdriet, boosheid en onbegrip, allemaal emoties die in twitter-berichten van 140 tekens heen en weer geslingerd worden. Gevoelens die welig tieren op Facebook en op Internet-fora. Wil je als gemeenschap elkaar niet verliezen op dit soort momenten, dan heb je esthetiek nodig. Bijvoorbeeld om, zoals Hoofdpiet Erik van Muiswinkel deed, de complexiteit van het gevoel en de ethische vragen die erbij horen op een mooie, heldere en invoelbare manier te verwoorden. Investeer je als samenleving in kunst, dan investeer je in de weerbaarheid van een gemeenschap om conflicten op een vreedzame manier uit te praten. Dan kom je tot een mooie handreiking als ‘minder zwart, en minder knecht’.

Democratie is niet alleen het parlement, of stemmen om de zoveel tijd, maar het is het dagdagelijkse gesprek over wie we zijn en wat belangrijk is, wat kwetsbaar en wat onredelijk. En zonder esthetiek, zonder schoonheid, ontroering, verbeelding en verassing, is dat gesprek hopeloos verloren.

Steven ten Thije
Eindhoven, 11 november 2013:
De hele dag probeer ik tevergeefs online de commissievergadering over de ‘stelselbrief’ van minister Bussemaker te volgen. Ik probeer al mijn webbrowsers, maar mijn misschien al te oude Mac wil er niet aan. Verwoed download ik nieuwe ‘plugins’ met de hoop dat ik iets meekrijg, maar nee. Echt volgen kon ik het toch al niet, want ik was gewoon aan het werk. Maar op de achtergrond hoopte ik iets van de vergadering mee te pikken. De aanloop naar het debat was immers veelbelovend.

Bas Heijne rondde de voorbeschouwingen veelbelovend af met een scherpe en rake column. In de nota van Bussemaker zit de ‘geest van het artistiek kapitalisme’, stelde hij met gepast retorisch geweld. Een begrip dat hij ontleent aan de Franse sociologen Gilles Lipovetsky en Jean Serroy en hun boek ‘L’esthétisation du monde; vivre à l’âge du capitalisme artiste’. Kapitalisme wordt kunstzinnig en kunst wordt overgelaten aan de markt. Blockbusters, musicals, sterren die dansen op ijs, een schedel vol diamanten, als het maar grote getallen oplevert. De nota van de minister scheert gevaarlijk dicht langs de rand van onverbloemd neoliberalisme. Ze redt zich met nog een restje ‘cultuureducatie’ waarin de oude verheffingsgedachte van de PvdA nog doorademt. Maar zo merkt Heijne treffend op, waartoe dient die cultuureducatie volgens de minister: “Creativiteit en innovatie zijn voorwaarden voor de verdere groei van onze kennissamenleving.” Een rijk mens en een beter mens; het zijn in dit politieke klimaat synoniemen.

Leg daar het redactioneel van de NRC naast. Daarin wordt, naast wat lovende woorden, ook al de angst uitgesproken dat een blind geloof in ‘meetbaarheid’ funest is voor kunst en cultuur. Je voelt de spanning oplopen. Het commentaar sorteert voor op een confrontatie op het hoogste ideologisch niveau: hoe gaan we om met de verzakelijking van de kunstsector? Welke publieke waarden heeft kunst, en hoe zorg je als samenleving daar het beste voor? Neem daar, als klap op de vuurpijl, nog het onderzoek van de Volkskrant bij. Het laat zien dat er nog maar een handvol mensen uit de kunst in de raden van toezicht van musea zitten en dat deze onderhand praktisch volledig zijn overgenomen door het bedrijfsleven. Hoe kan de cultuurcommissie nu niet een werkelijk visionair debat voeren over de basis infrastructuur – de diepste heipalen onder het Nederlandse culturele bestel? Als Steen-in-de-vijver-lid zag ik haast een opening naar het voor ons meest wezenlijke thema; welke plek heeft kunst in een democratie; of scherper gesteld: kan een democratie zonder kunst?

Maar ergens gisteren ging er iets mis. Een VVD-kamerlid – Arno Rutte – (op zijn Tweede Kamer webpagina komt noch het woord kunst, noch het woord cultuur voor, in zijn loopbaan evenmin; vernederend dat deze man door de grootste partij van het land gevraagd is om deze portefeuille erbij te nemen, maar dat terzijde) had ergens een proefballontje gevonden: het subsidiëren van de reiskosten van succesvolle artiesten. Krijgen die subsidie? Ja. Is dat veel? Nee, gaat om een paar duizend Euro. Is er een groot, begrijpelijk ideologisch conflict? Nee, eerder ideologische verwarring: VVD wil enerzijds vooral succesvolle, ondernemende kunstenaars ondersteunen, maar als ze dan succesvol zijn toch liever niet, want dan is het niet nodig; in goed Nederlands is dat een Catch-22. Maar daar prikken al die slimme mensen in de media en in zo’n cultuurcommissie toch wel doorheen? Dat zou je met je hele hart hopen, maar als ik na een dag lang internetfrustratie eindelijk een nieuwsitem op de NRC-site voorbij zie komen lees ik met enige droefenis: “Bussemaker verdedigt subsidie voor grote Nederlandse artiesten.” Het lijkt op een bewerkt ANP bericht, want ik vind grofweg hetzelfde bericht op de websites van alle landelijke dagbladen.

Laten we hopen dat er tussen 10:00 en 18:00 (zolang duurt zo’n debat) nog heel veel zinnige dingen zijn gezegd en dat iemand nog heeft verwezen naar Lipovetsky en Serroy, of op zijn minst naar Heijne. Maar voor de buitenwacht is het voorlopig afzien en is de tussenstand wederom 1 – 0 voor de onzinpolitiek.

Ps: Terwijl ik deze voetnoot schrijf publiceert de Volkskrant een stukje over de vergadering waarin Jasper van Dijk de minister aanspreekt over de situatie in de raden van toezicht van Nederlandse musea. Er is hoop. Bedankt Jasper.

Steven ten Thije
Eindhoven, 7 november 2013:
1 + 1 = 1 + 1. Dat is toch het gevoel dat overblijft na het lezen van de ‘Cultuurstelselbrief 2017-2020’ van minister Bussemaker. Het is de ongelukkige variant van het ‘elkaar iets gunnen’ dat aan de wieg van dit kabinet staat. De PvdA krijgt iets, de VVD krijgt iets; het bestaat naast elkaar en verrijkt elkaar niet. De brief lijkt te worden bijeengehouden door het toverbegrip ‘prestatiegerichtheid’, maar dat is schijn. Het valt uiteen in een ‘kwantitatief’ en ‘kwalitatief’ deel en never the two shall meet.

Het is de eeuwigdurende schizofrenie van de cultuurpoliticus die net zo hard moet klappen voor Bauer als Bach. De ene een publiekslieveling, de ander een kwalitatief, onovertroffen meester. Het gevolg is dat je ook schizofreen beleid krijgt dat twee systemen ontwikkelt voor beide uiterste en zo hoopt dat er iets aardigs in het midden ontstaat. Maar dit eindeloos schaven aan dezelfde beleidsinstrumenten moet een keer grondig herzien worden. Het klinkt flink om stevig in te zetten op prestaties, maar het is hetzelfde melodietje dat we al sinds begin jaren 90 horen. En het is fijn dat kwaliteit zijn eigen loket heeft bij de Raad voor Cultuur en een nieuw in te richten meetkader dat ‘dicht bij de branche’ ontwikkeld moet worden. Maar ook dat achter de schermen meten en wegen van kwaliteit door experts die nergens een publiek gezicht krijgen is zo oud als de weg naar Rome en kent fundamentele beperkingen.

Wat is dan wel nodig? Eigenlijk heel simpel, maar heel moeilijk te realiseren, een beleid dat vertrekt vanuit het geheel. Het huidige beleid is een soort reparatie van de tuin die is ontstaan uit het kweken en snoeien na de Tweede wereldoorlog en die praktisch is bezweken onder de pesticidetherapie van Zijstra. De ‘stabiele’ en ‘gedifferentieerde’ kern van instellingen die nog in de Basis Infrastructuur zitten, zijn een ongebalanceerd rommeltje. Je ziet het vooral als je erkent dat kunst een cyclus kent van 1) maken, 2) presenteren en 3) receptie. De energie van het bestel richt zich steeds meer op het midden – presenteren – ook omdat je daar het beste kunt meten. Maar van talentontwikkeling aan de maakt-kant, waarin Nederland excelleerde met o.a. Rijksakademie en de nieuwe muziek, blijft weinig over. Het wordt met moeite enigszins in de lucht gehouden, maar op een methode die verdacht veel doet denken aan hoe het Rijk met gemeentes omgaat: overhevelen van verantwoordelijkheden. Het Rijk wil geen aparte productiehuizen ondersteunen, maar vraagt de gezelschappen en de fondsen om met minder middelen die taak er ook nog even bij te nemen. Het andere doodgeboren kindje in het huidige bestel is receptie. Zonder sectorinstellingen, een sterke publieke omroep, of enige kunsttijdschrift in het fondsenbestand, zijn er nauwelijks mensen die alle tentoonstellingen en voorstellingen die gemaakt worden kunnen recenseren. Laat staan dat er eens een discussie kan ontstaan over iets. Het enige wat nog kan, is een Facebook-achtig ‘I like’ met ballen en sterren. Als je als overheid aan de ene kant geld pompt in productie en presentatie en vervolgens geen stuiver over hebt om publiekelijk over al dat moois te praten, moet je niet verbaast opkijken als kwalitatief hoogstaande kunst slecht bezocht wordt. Goede kunst heeft meer nodig dan goede marketing. Er moet een cultuur bestaan waarin gepraat wordt over kunst en ook dat kost geld.

Kortom hou op met denken dat je een spijker met een schroevendraaier in de muur krijgt. Het gereedschap dat wordt ingezet is verouderd, misschien niet onbruikbaar, maar zeker niet afdoende. Het wordt tijd om eens een nieuw ‘tacker’ te kopen; een die werkelijk de gescheiden werelden van kwantiteit en kwaliteit bij elkaar kan brengen. Misschien wordt dan 1+1 ooit eens 2.

Steven ten Thije
Amsterdam, 1 november 2013: Dat is de titel van de nieuwe, omvangrijke, cultuurhistorische studie van Marita Matthijsen. Ik mocht een praatje houden bij de feestelijke doop van het boek waardoor ik me verdiepte in het belangrijkste idee dat eraan ten grondslag ligt: de democratisering van de geschiedenis in de 19e eeuw. Voor die tijd was de geschiedenis het hebbeding van een kleine elite, maar onder invloed van de Verlichting en de Revolutie wordt de geschiedenis van ons allemaal! En dan niet in de vorm van een vluchtige kennismaking maar als een passie, een niet te stuiten behoefte. Een gevoel dat Regeringen gebruikten voor hun eigen legitimatie, maatschappijhervormers om de nieuwe mens of de ideale burger te modelleren maar dat ook een inspiratiebron vormde voor romantici in de kunst. Marita beschrijft de voorwaarden waaronder dat toe-eigenen van de geschiedenis zich voordoet. Hier maar ook elders in Europa. Er is een infrastructuur voor nodig: monumenten en bibliotheken, onderwijs en oudheidkundige verenigingen. Maar vooral ook de openstelling van voorheen gesloten archieven, van kunstcollecties, bibliotheken. Al een dag na de Franse Revolutie werd de Koninklijke bibliotheek tot de Nationale en in Nederland kwamen de restanten van de kunstcollectie van de gevluchte Stadhouder in een Nationale Konstgalerie. Geschiedenis en Kunst ging van de Private- naar de Openbare ruimte. En werd mede daardoor het eigendom van een groter publiek. En dat laatste wordt dan weer aangemoedigd door gezelschapspelletjes, populaire literatuur, bloemlezingen.

Toch geldt dat alles niet voor de hele 19e eeuw. In het hoofdstuk met de veelzeggende titel De Overheid als Januskop beschrijft Marita hoe de veelbelovende cultuurpolitiek in de Bataafse Republiek en daarna onder Lodewijk Napoleon al enigszins ineen zakte toen de Nederlanden een provincie van Frankrijk werden en daarna – onder Willem 1 – voortsukkelde . Om pas te herleven aan het eind van die eeuw. Pas na de dood van Thorbecke kon het Rijksmuseum met overheidsgeld worden gerealiseerd.

Om de simpele reden dat Thorbecke himself geen cent Overheidsgeld aan de cultuur wilde spenderen. Zijn tot op de dag van heden geheiligde adagium dat de politiek zich niet met de kunsten dient in te laten , wordt dus zowel door politici gebruikt die het goed voorhebben met de cultuur als door de Zijlstra’s. Alhoewel er in de meeste Europese landen in de 20e eeuw wel een vorm van cultuurbeleid wordt ontwikkeld waarin cultureel erfgoed en sommige kunstenaars een zekere protectie en subsidiering van de Staat verwerven, wordt daar in tijden van economische crises flink aan gemorreld, hetgeen dan meestal gepaard gaat met het propageren van een zekere cultuur-afkeer.

Dat zien we nu, volgens Marita Matthijsen in de onverschilligheid t.o.v. monumenten of bibliotheken, Ik kan het moeiteloos aanvullen met het visieloos wegbezuinigen van het Theaterinstituut, de Rijksacademie, het Tropenmuseum (inclusief de bibliotheek, die op het laatst voor een deel gered is door de bibliotheek van Alexandrie).

Van historie-zucht is weinig meer te bekennen. Integendeel: steeds meer wordt uit het publieke domein gehaald en doorverwezen naar het private. Waarmee dus in betrekkelijk korte tijd een rem werd gezet op de democratisering van ons cultureel erfgoed.

Hedy d’Ancona
Eindhoven, 17 oktober 2013: Maandag is bekend gemaakt dat Coen Verbraak de Sonja Barend Award heeft gewonnen met zijn interview met Rijkman Groenink in de serie Kijken in de Ziel. Een dag later stond het nieuws in dezelfde krant waarin ook een nieuwe dramaserie werd aangekondigd over Jeroen Smits reconstructie van de val van ABN Amro ‘De Prooi’. Groenink wordt in deze serie gespeeld door Pierre Bokma, die aldus de recensie de bankier menselijker neerzet dan hij in werkelijkheid is. De twee gebeurtenissen vormen een soort ongeschreven commentaar op de recente discussie over het belang van de Publieke Omroep, doordat ze concreet laten zien hoe kunst en publieke omroep samen bijdrage aan de kwaliteit van onze democratie.

Eerst over het interview. Iedereen die het gezien heeft zal zich de gespannen passage herinneren waarin Groenink reageert op Verbraaks opmerking: ‘U bent de personificatie van het grote graaien, heeft u daardoor een kras op uw ziel?’ De woordelijk reactie van de bankier – een wat wollige ontkenning – geeft maar zeer beperkt de inhoud van het fragment weer. Wat het fragment zo bijzonder maakt is dat je haast het gevoel hebt dat zijn lichaam als een Rodin-sculptuur moet worstelen met zichzelf om zijn eigen antwoord naar buiten te brengen. Het antwoord zelf heeft misschien een soort kille logica – ‘ik was niet verantwoordelijk voor het beloningsbeleid’ – maar je ziet dat het lichaam moeite heeft om met die ‘waarheid’ te leven. Het is natuurlijk psychologie van de koude grond, maar wat het televisiemoment zo spannend maakte was de volledige ervaring van het sprekende lichaam dat worstelt op de drempel tussen privé en publiek, tussen logica en gevoel.

De televisieserie zet daar de artistieke interpretatie van deze nu al iconische figuur van het losgeslagen bankwezen naast. De serie begint pas aankomende zaterdag, dus inhoudelijk is er nog niets over te zeggen. Maar het feit dat hetzelfde thema nu in drama en eerst in een interview is behandelt, geeft mooi weer welke rol een Publieke Omroep speelt in het ruimte scheppen voor een democratisch gesprek en hoe zij zich verhoudt tot kunst. Vooral als we de opmerking van de recensent dat Bokma de bankier eigenlijk menselijk neerzet meenemen. Die opmerking geeft aan dat het niet alleen om ontmaskeren of afmaken gaat, maar ook om begrijpen en invoelbaar maken. Hoewel Groenink in de wandelgangen van de samenleving keihard veroordeeld wordt, richt de Omroep zich niet op een platte bevestiging, maar werkt aan het zichtbaar maken van de wereld die verscholen gaat achter de chocoladeletters in de krant. De kunst die het interview met de dramaserie verbindt is de kunst van het zichtbaar maken. Daar zit het onderscheid tussen publiek en privaat. Want die zichtbaarheid is geen product voor een markt. Die zichtbaarheid speelt een wezenlijke rol in het deugdelijk verlopen van het democratische proces. Daarom zijn kunst en de omroep ook een publieke zaak.

Steven ten Thije
Amsterdam, 17 oktober 2013: De musea met niet-westere kunst moeten fuseren of hun collecties verkopen. Deze acties vallen samen met het vieren van het afschaffen van de slavernij 150 jaar geleden, zoals het oprichten van een monument. De herinnering aan het koloniale tijdperk dreigt echter te worden afgebroken.
De collectie van het Tropenmuseum en het museum zelf zijn een monument voor de uitbuiting van Nederland van haar voormalige koloniën. De prachtige zwaarden, regalia, en andere pronkstukken zijn niet uit vrije wil aan de koloniale heersers meegegeven. De vraag of kunst moet worden teruggegeven aan het land van herkomst, is onvermijdelijk bij de vermenging van de collecties van het Tropenmuseum en het oudheidkundige museum van Leiden. Wat moet niet naar Leiden verhuizen, maar naar Indonesië of naar Timor. Ik pleit niet voor het herschrijven van de geschiedenis, maar ze mag niet worden uitgepoetst.
Een deel van de collectie moet zeker hier blijven als herinnering aan het verleden. Kunst vertegenwoordigt immers ook de publieke waarde van herinnering aan ondemocratische tijden.

Voor de buit van de VOC strooptochten op het Afrikaanse continent kan net zoiets worden gezegd. Wat moet er terug? En dan nog kan een mogelijke verkoop van Afrikaanse schatten, zonder de Afrikaanse herkomstlanden te laten delen in de winst, niet zomaar.

Bulkgoederen uit de museale depots kunnen na het volgen van een eenvoudige procedure worden verkocht. Zijn 10 dezelfde speren in depot als bulkgoederen te zien? Misschien willen de streken van herkomst ze wel terug. De ’afwaardering’ van deze museale voorwerpen moet dus ook in de context van de herkomst worden geplaatst.

Het beleid over de omgang met koloniale en vergelijkbare museale kunst moet natuurlijk op nationaal niveau worden gemaakt. Het beleid moet immers worden gezien als een respectvol verder afbouwen van de koloniale verhoudingen. Door de kunst is het verleden nog steeds herkenbaar in het heden. Dat moet ook zo blijven, maar dan expliciet. We moeten weten wat terug moet worden gegeven en wat moet blijven om de herinnering niet uit te wissen. Nederland moet niet zomaar haar koloniale verleden kunnen opheffen door de vermenging van de koloniale collectie met algemeen oudheidkundige collecties.
Er is nu een monument voor de koloniale verhoudingen, zodat een apart monument (nog) niet nodig is. Democratische besluitvorming hoort alle waarden mee te wegen, juist deze.

Inge van der Vlies
Eindhoven, 12 oktober 2013: Gisteravond werd in een duister zaaltje van het ministerie van financiën het ‘herfst / najaars / Fundatie akkoord’ gepresenteerd. Jaap Smit van CNV merkte in Nieuwsuur met enige irritatie op dat de enorme serie ‘akkoorden’ die dit kabinet sluit een levensduur kennen van enkele weken en er zo een soort inflatie van de term ‘akkoord’ plaatsvindt. Maar deze kritische noot terzijde. Het is goed dat het kabinet nu in elk geval kan gaan regeren.

Een ander lichtpuntje van gisteravond is het halveren van de bezuinigingen op de Publieke Omroep. Degene die het punt mocht presenteren was een zeer triomfantelijke Alexander Pechtold wat doet vermoeden dat D66 het heeft binnengehaald. Op deze manier is in elk geval een deel van deze onverkwikkelijke bezuiniging ongedaan gemaakt en is het ook nog eens gedaan door een partij die van oudsher het democratische proces hoog in het vaandel heeft. Laten we hopen dat D66 zich niet alleen bekommert om het geld, maar de zoekende staatssecretaris Dekker ook kan voorzien van inhoudelijk kompas.

Want vooral de rommelige besluitvorming en de armzalige politieke visie op de Omroep blijft het echte pijnpunt in de hele geschiedenis. Het feit dat het inhoudelijke advies van de Raad voor Cultuur over de toekomst van de Omroep pas uitkomt na het Kamerdebat, maakt dat de politiek eigenlijk zinnens is om de Omroep in het water te gooien, terwijl het zwemvest nog gemaakt wordt. Zo omgaan met een belangrijke democratische basisvoorziening is beneden de maat. Een gevoel dat kennelijk door D66 werd gedeeld en waar de democraten van ’66 gedeeltelijke een stokje voor hebben kunnen steken. Hopelijk houdt op zijn minst dit deel van het 'akkoord' stand.

Steven ten Thije
Eindhoven, 9 oktober 2013: Vandaag staan velen op het Malieveld voor hun publieke omroep. De 100 miljoen bezuiniging zijn de druppel. Want er is al stevig bezuinigd (200 miljoen) op de omroep in de vorige kabinetsperiode. In totaal verdwijnt een derde van het budget. Deze volgende slag van de bijl snijdt dus niet meer in overtollig vlees, maar raakt het bot. Het gebruikelijke politieke eufemisme voor dit soort beleid is ‘keuzes maken’.

De hele gang van zaken doet erg denken aan 2010 toen Zijlstra het mes zette in de cultuurbegroting. Ook toen ging het, naast de toon, om de proporties. En net als toen is de echte pijn de gitzwarte leegte die achter de woorden van de politici schuil gaat. Gekweekt in de neoliberale jaren 90 waarin politiek bedrijven veranderende in het besturen van de ‘BV-Nederland’, zijn het mensen die vooral trots zijn als ze saneren en uitbesteden: want dat doen ze in het bedrijfsleven ook. Staatssecretaris Dekker roept de Boston Consultancy Group erbij om de bedrijfsvoering van de omroep op te pimpen en de Raad van Cultuur mag inhoudelijk zeggen waar het op staat. Advies is mooi en goed, maar het zou fijn zijn als er iets meer geestdrift te vinden zou zijn bij de staatssecretaris en de coalitiepartners om ook zelf een lijn te trekken en een principe te formuleren dat leidend is. Bezuinigen alleen, op deze manier, is geen principe, maar een zwaktebod.

Je kunt als politiek natuurlijk altijd met je staart tussen de poten wegrennen en wijzen naar mister fix-it – de markt – als universele pleister op al uw publieke wonden. Maar eigenlijk doe je dan gewoon je werk niet. Je bent geen bestuurder van een bedrijf, maar je bent hoeder van waarden – publieke waarden. Met wetgeving, publieke instellingen en gerichte ondersteuning (subsidie) schep je een kader waarbinnen de markt zijn werk kan en moet doen. Als je jezelf gaat zien als een pragmatische probleemoplosser dan vergeet je de kern van wat je hoort te doen: een visie geven op die samenleving.

Wat de situatie extra pijnlijk maakt is dat media in deze periode zo ongelofelijk belangrijk zijn voor hoe het publieke domein functioneert, of niet functioneert. Het gaat daarbij niet om goed of slecht, maar om het botte feit dat we dag in dag uit uren en uren informatie opslurpen via allerhande media-kanalen. Die informatie bepaalt voor een groot deel hoe we denken over onze wereld en samenleving. Als ergens de voorwaarde voor onze democratie wordt geschapen is het daar in de media, op het web. De toegankelijkheid, de openheid, de diversiteit van dat gebied is van wezenlijk belang voor het functioneren van een democratie. Je zou eerder denken dat je er meer vanaf zou moeten weten, dat je er meer grip op zou willen hebben en erin investeert in plaats van erop bezuinigt. Maar ja, het is crisis.

Kunst, cultuur en media, ze zijn de kanarie in de kolenmijn van deze tijd. Op overheidsbegrotingen van miljarden vertegenwoordigen ze kleine plukjes geld, maar wat die kleine plukjes doen is verdacht. Gedekt door de allesverslindende list van het ‘iedereen-moet-inleveren’ doen de politici die geen politiek meer bedrijven hun werk. Waarschijnlijk niet eens begrijpend wat ze doen snijden ze achteloos in organisaties en mensenlevens die een onderdeel vormen van het zenuwstelsel van een democratische samenleving: dat deel wat zorg draagt voor het ontwikkelen en uiten van gedachtes, gevoelens, ideeën; dat deel waar je elkaar werkelijk kunt tegenkomen en zien. Het is niet aan deze generatie politici besteed. Ze zien alles, maar begrijpen niets.

Steven ten Thije
Amsterdam, 19 september 2013: Er is zomaar een gevoel gegroeid dat verantwoording gebeurt door getallen te noemen.
Kunstenaars zijn succesvol als ze volle zalen, veel kijkers, veel bezoekers, veel geld, veel hits, veel tweets trekken. Er is ook een magische consensus over welk aantal gedefinieerd kan worden als ‘veel’. Dan is er succes.
Succes is van belang voor de subsidie. Succes is van belang voor het succes.

Kunst heeft succes: festivals, musea, films trekken veel publiek. Zij bieden op verschillende manieren beleving van kunst.

Kunst maken en kunst beleven zijn aan het veranderen. Kan beleid voor de kunst wel net zo snel veranderen? Houdt het beleid de veranderingen bij? Het beleid lijkt nog gebiologeerd door het idee dat de cultuursector geen grote aantallen publiek zou willen trekken. Er is echter allang een concurrentie op volle zalen en musea aan de gang. Het cijferbesef heeft goed wortel geschoten. Zelfs zo krachtig dat de overheid erop kan worden gewezen dat het beleid het verwerven van meer publiek bij de podiumkunsten frustreert. De combinatie van reisverplichtingen, regionale spreiding, snijden in de programmeringssubsidie en toedelen van projectsubsidie leidt ertoe dat er mogelijkheden niet kunnen worden benut. Het overheidsbeleid zorgt voor lege zalen, terwijl er geld, spelers en publiek zijn.

De verschillende overheden werken langs elkaar. Er zijn goede afspraken tussen de verschillende overheden nodig.

De overheid zou snel en dynamisch haar eigen beleid kunnen bijstellen. Weg met bureaucratische voorschriften en ervan genieten dat de zich zoveel adequate ondernemers in de sector hebben ontwikkeld.

Er ligt voor de overheid wel een belangrijke faciliteringsrol. Veel culturele instellingen hebben een te beperkte formatie om alle benodigde specialismen in huis te hebben. Er zijn goede kenniscentra nodig.

(Kanttekening: suggereren dat de overheid haar beleid zou kunnen veranderen, leidt tot de Pavlov-reactie dat je je teveel op de overheid richt. De overheid plaatst zich zelf zo buiten verantwoordingsverplichtingen.)

Er is vernieuwing van het kunstbeleid nodig. Vermarkten van de kunst is geen nieuw concept meer. Nieuwe concepten zijn nodig omdat we in een toestand van transitie verkeren. Beleid zou naar de ontwikkeling van de kunsten moeten kijken en de ontwikkeling van kunst mogelijk moeten maken. De verplichting daartoe kan niet uit cijfers worden afgeleid. Waarom een goede kwaliteit van opleidingen leidt tot een samenleving die zich zelf op tijd kan vernieuwen, blijkt niet uit cijfers. Het gaat om een kwalitat

Inge van der Vlies
Amsterdam, 3 september 2013: Er spoelde veel geruststelling over ons heen bij het debat over het kunstbeleid. Er is nog steeds sprake van een post-Zijlstra effect. Politici denken de kunsten te verwennen door te zeggen dat kunst belangrijk is. Na Zijlstra lijkt dat een moedige stap te zijn, nog steeds. Dat er weer op de kunsten zal worden bezuinigd zou de politiek niet echt kunnen worden aangerekend: er is immers gezegd dat de kunsten belangrijk zijn, zo ánders dan Zijlstra. En het zijn barre tijden.

In de tijd van Zijlstra hoefde niet te worden bewezen dat bezuinigen op de kunsten zou leiden tot gezondere financiën van de staat. Dat stond niet voorop. De inzet was: de kunst teruggeven aan het volk. De kunst zou bij het volk terecht zijn gekomen als het volk de portemonnee ervoor zou trekken. En anders maar geen kunst. Dat beleid is nog steeds niet gerepareerd. Het debat gaat nog steeds over marketing en rendement. Over innovatie halen bij kunstenaars voor innovatie van de economie. Er wordt nog steeds weinig gesproken over het creëren van een goede infrastructuur voor het ontwikkelen van kunst omdat kunst essentieel is. Volgens sommigen mag er pas geld naar de kunst als bewezen is dat kunst belangrijk is.
Elders wordt het bewijs niet gevraagd. Waarom is gezondheid belangrijk? Omdat we langer leven? Waarom is langer leven belangrijk? Omdat we langer leven? Word je liever 98 zonder cultuur in je leven of 89 met kunst? Een leven lang zonder verhalen, beelden, film, muziek?

Toen de filosoof in het debat ging spreken over Kunst en shampoo dacht ik dat het misschien zou gaan om glanzende haren. Glanzende haren. Hoe kun je een ander vertellen hoe prachtig een haardos was? Zelfs daarvoor heb je immers taal nodig, beelden, cultuur dus. Zo’n verhaal kwam er niet. Het had iets te maken met reclame. Dat mensen worden gemanipuleerd door reclame en dan shampoo gaan kopen. Zo iets zou ook moeten gebeuren met kunst. De kunst zou subsidie moeten krijgen, bij wijze van reclame, en zou dan ook beter verkopen. Er is dus alleen maar een telraampje nodig. En daarna een afrekening, vermoedelijk.

Veel mensen nemen deel aan een (bijna) gratis kunstbeleving. Voor grote concerten in Amsterdam op het museumplein of langs de grachten hoeft niets te worden betaald. Soms vinden mensen het kennelijk prettig om samen iets te beleven zonder een afweging te moeten maken of ze het kunnen of willen betalen. Heel goed dat de overheid dat via subsidies mogelijk maakt.

Bij een samenleving in verandering, waarover het Paradiso-debat ging, hoort reflectie op wat was, is en komt. Kunst maakt reflectie mogelijk, geeft daaraan vorm, daagt ertoe uit. Het kunstbeleid kan zich daarop oriënteren. De minister en de wethouders die deelnamen aan het debat zijn duidelijk op zoek. De vraag is hoe ieder op zijn eigen wijze kan bijdragen aan het debat over de prioriteiten die moeten worden gesteld. En hoe die bijdragen elkaar vinden. Het heeft geen zin aan kunstenaars te vragen: hoe moet het beleid zijn? Kunstenaars maken geen beleid, zij maken kunst. Van de bestuurders wordt niet verwacht dat zij kunst maken. Wel laten kunstenaars zien wat zij nodig hebben van de omgeving. De omgeving zou dat uiteindelijk moeten kunnen vertalen in beleid. De vraag is wat voor soort bijeenkomsten moeten worden belegd om creatief beleid te ontwikkelen.

Inge van der Vlies
Amsterdam, 2 september 2013: Dat was de titel waaronder het jaarlijkse Kunsten '92 debat dit jaar plaats vond. Je kon met je klompen al aanvoelen dat het nut en niet de noodzaak van kunst de inzet van dat debat zou zijn. En dat was dus ook zo. De minister en de aanwezige wethouders konden dat in ieder geval nog begrijpelijk verwoorden. Het gaat om de legitimatie van de subsidies, om de erkenning dat kunst dienstbaar kan zijn aan innovatie, aan cohesie in de wijken, aan het opwekken van kritiek en vraagstelling. Het gaat zeker niet alleen om geld, want kijk eens hoe veerkrachtig het culturele veld zich heeft gemanifesteerd. En dat is maar goed ook, want er zal opnieuw moeten worden bezuinigd. Niet alleen rechtstreeks via het Rijk maar ook langs de lijn van Gemeentelijke bezuinigingen. Je werd er niet vrolijk van maar de toon was o.k. Niemand hoefde te twijfelen aan hun persoonlijke liefde voor alles wat kunst vermag. En opdat bij velen dat gevoel wordt aangewakkerd, heeft cultuur-educatie de bijzondere aandacht van de minister.

Veel onrustbarender vond ik het gesprek met de Cultuur-woordvoerders uit de Tweede Kamer. Geen kennis, geen visie, geen ambitie. Dat de politiek zich niet moet uitspreken over de artistieke betekenis, kennelijk onwetend van het gegeven dat dat al heel lang geleden vrij ordentelijk geregeld is. Dat de Overheid betrouwbaar moet zijn. Je zou denken dat de bezuinigingen op cultuur, in datzelfde Paradiso een paar debatten terug aangekondigd, met precisie zijn gerealiseerd. Dat kunstenaars allemaal schilders zijn. Alleen Van Dijk (SP) sprak nog over de noodzaak van een culturele basis-structuur en de verantwoording die de Overheid heeft om die in stand te houden. Voor het overige was dit optreden een absoluut dieptepunt. Is de cultuur-portefeuille al zo in aanzien gedaald dat het een left-over is geworden voor Kamerleden die niet tegenstribbelen als ze hem in de maag krijgen gesplitst? Als het nog wat wordt met die educatie, dan zou een spoed-cursus voor de vaste Kamercommissie nuttig en noodzakelijk zijn.

Hedy d'Ancona
Eindhoven, 29 augustus 2013: I decided to write this ‘footnote’ in the form of a personal letter to you in response to the news of your leaving the Stedelijk Museum. The news first came to me while looking at my iPhone during an early meeting yesterday and I was sad to see it. I imagine that you had different hopes and dreams when you arrived here four years ago, but the soil in which you had to plant them had run dry of nutrition. Unfortunately your leaving doesn’t feel like the result of personal circumstances, but reflects a general and disturbing characteristic of today’s Dutch art world and Dutch politics. We seem to be utterly unable to constructively deal with different points of view, allowing an open and honest debate with positions from elsewhere.

Perhaps I didn’t ‘cheer’ about every decision you made. The dominance of American art in the main gallery in the room of honour on the first floor of the museum’s old wing especially. But my questions had nothing to do with either the quality of those works, or with your competence, but more with my reading of those works and that particular room. My sense was that, for you, these works did not represent a nation or even ‘the West’, so much as they formed a basic artistic grammar that still provides the background against we understand a substantial portion of contemporary art. For me, however, this particular room was so loaded with the history of the Stedelijk as a portal to the United States, that the somewhat non-reflexive reappearance of these works there felt like winding back the clock that didn’t feel quite right in today’s world. But despite my questions and doubts, the steps you took were carefully considered and were the beginning of a story that you were to unfold here. That we will never know where that story might have taken us is the first sense of loss that I felt after hearing of your departure.

The second loss I feel is related to a positive experience of the museum a few months ago. One day old friends from high school wanted to visit the Stedelijk and because I just had visited the exhibitions extensively I took my two year-old son with me and let him determine the pace. (I have to say that for him Mike Kelley was a pleasant surprise – even if the ‘no touching’ was difficult at times…) What I was struck by during that visit was as sense of generosity and hospitality that made the big museum with its many guests, still feel also as a place where a community gathered to engage with art. It is difficult to describe this atmosphere, but I felt there was a combination of excitement and relaxation that was very appealing. It reminded me of what I find positive about perhaps a quite American way to deal with art and culture. I fear that with only three years of education, it will be difficult to let this quality take root in the Dutch museum world.

Thirdly I feel sad because with you, a voice leaves that did participate in the current debate on how to find a new foundation for the value and potential of art within the current society. It perhaps might not have been a very public voice in the sense of a strong opinion, but you did explicitly want the museum to function as a meeting place to debate what is happening beyond its walls. You tried not to form a position, but rather a meeting place for positions. And I can understand that it must have felt very uncomfortable when in response to that there was so little support for your position – when, for instance, Steve McQueen’s project in the Vondelpark was torpedoed after an unfortunate bike-accident.

A fourth disappointment is that I have the feeling that what happened also relates to gender issues. Even if I’m not sure, it feels that educated Dutch men are perhaps not as enlightened as one would hope. I remember one incident from the beginning of your directorship that was quite shocking, but my sense is that the issue lingered in the background, even after that event, which must have been very unpleasant.

But my overall disappointment about the news has to do with the fact that apparently within contemporary Netherlands, there is little patience with people from outside. Like a rabbit caught in the headlight of the economic crisis – which is perhaps even more a political crisis – it seems we can’t deal with a position or behaviour that differs from that of ‘normaal’. To your careful and considered, slow and rigorous way of developing an art historical narrative in a museum, there has been very little place in the current discourse, a discourse which still seems to echo the pop-line: I want it all, and I want it now. Of course there are different sides to what has happened and I partially know and partially can imagine that behind the scene many things have occurred that aren’t ‘fit to print’. But since I don’t doubt your sincerity, knowledge and ambition concerning your programme, I think that these things should be secondary to the main question if the museum offers a relevant contribution to the cultural life of a community. And I would full heartily say that it did, also, if not especially, because there was room for disagreement and different views.

What makes me then the saddest is the discovery that perhaps we are not a community at all. Somehow in our politics, both within and without the art world, a particular egocentrism is dominant that cannot effectively benefit from the simultaneous presence of multiple positions – something that is felt the deepest by those who have lived elsewhere most of their lives. We seem incapable of having a hard but respectful debate on questions of content and are too quickly tempted to move from arguments to insults. How could art flourish in such an environment if there is so little sensibility for its most basic ethical principle: the appearance of something as different and specific? I fear it will be a question we now have to face and answer without you.

My very best,

Steven
Eindhoven, 24 augustus 2013: Na een lange zomerstop is de Steen nu terug van weggeweest. Voor de zomer presenteerde minister Jet Bussemaker nog snel haar visie op kunst en cultuur, gestoeld op liberaal-sociale principes, en dekte zo het diepe ideologische conflict tussen VVD en PvdA af met de deken der compromissen. Boekman besteedde aan ‘liberaal-sociaal’ kunstbeleid al een nummer en ook BK-magazine heeft gereageerd. De Steen komt later met een uitgebreidere reactie. In deze voetnoot wil ik me beperken tot een terugblik op het prachtige interview met Johan Simons in Zomergasten en een artikel in de Groene Amsterdammer van deze week ‘Een groene driehoek op je buik’ over de voorgenomen bezuinigen op de Amsterdamse Museumles.

Het alom bejubelde interview met Johan Simons is al na een week bijna een ‘fait accompli’ waarover weinig meer te zeggen is dan ‘zo mooi, zo goed’. Toch moeten we uitkijken – zeker als ‘medestrijders’ – om alleen maar instemmend te knikken. In een zowel persoonlijk als bevlogen gesprek laveerde Simons soepel tussen zijn eigen boerenherkomst en zijn werk als theatermaker. Waarbij hij tussendoor ook met passie en precisie zijn visie gaf op de kunstbezuinigingen van het vorige kabinet. Kunst en cultuur behoren misschien tot hetzelfde weefsel, maar zijn niet een, stelde Simons. De kunst zweeft boven de cultuur en reflecteert op haar. Ze moet ruimte hebben om een objectief oordeel te kunnen vellen en daarom heeft ze vrijheid (van de markt) nodig en dus subsidie. Het is een visie die voortkomt uit jaren ervaring en reflectie. Maar ze is ook gebonden aan historische periode, en al luisterend naar het mooie verhaal vroeg ik me af of het nog aansluit op de wereld van vandaag.

Niet dat we vandaag zonder het ‘oordeel’ van de kunstenaar kunnen, maar de vraag is meer hoe en waar de ruimte te scheppen voor dat oordeel. Want hoe mooi alle fragmenten ook waren, al kijkend viel me wel op dat ze vrijwel allemaal hun bron vinden in de jaren 60 en 70. Daar vond het artistieke experiment plaats dat nu tot een volwassen generatie kunstenaars is uitgegroeid. De versplinterde wereld van vandaag waarin de balans van grootmachten dermate onzalig is dat de wereld alleen maar verafschuwd toekijkt als in Syrië kinderen worden vergast staat ver verwijderd van de monumentale strijd tussen Oost en West tijdens de Koud oorlog jaren. Het soort bravoure van de wederopbouwgeneratie klinkt nog steeds aanlokkelijk, maar hoe kan dit aanstekelijk engagement zich werkelijk vertalen in een visie die ook mensen van 30 en 20 erbij trekt?

Eenzelfde soort gedachtekronkel kroop door mijn hoofd tijdens het lezen van ‘Een groene driehoek op je buik’ van Tineke Reijnders en Antje von Gravenitz. In het stuk ontmaskeren de auteurs de ‘vernieuwing’ van het Amsterdamse kunsteducatie als een botte sanering van 800.000 euro en het einde van de in de jaren 50/60 ingevoerde ‘museumles’. Het lijkt een haast typisch Amsterdamse schizofrenie om eerst een decennium lang honderden miljoenen in de verbouwing van haar musea te steken, om vervolgens, als ze eindelijk open zijn en het oogsten kan beginnen, rücksichtslos te bezuinigen op alle mensen die mooie gebouwen willen gebruiken. Alleen voelt het ook hier ongemakkelijk als de publicatie die aangehaald wordt om het belang van de museumlessen te onderbouwen van Herbert Read uit 1958 stamt. Niet dat ‘de bevordering van het begrip voor creativiteit, dialoog, democratie en integratie’, die Read vindt in kunsteducatie, geen goede idealen zou zijn, maar moeten we niet meer en intensiever spreken over hoe we deze idealen vandaag de dag zouden kunnen verwezenlijken?

Diegenen die menen dat de kunst en de samenleving zijn beschadigd door de vorige bezuinigen, worstelen om die boosheid te vertalen in een verhaal en visie die werkelijk toekomstgericht zijn. Er is anders gezegd een risico dat het overheersende tegengeluid een soort conservatieve, behoudzuchtige bijklank heeft die me ook niet aanspreekt. Natuurlijk is er veel moois gemaakt onder de oude regelingen, maar de door Simons terechte opgemerkte kloof tussen zittende politiek en kunstenveld is niet met een druk op de ‘reset’-knop op te lossen. Als ik niet alleen kritisch naar de anderen kijk, maar ook naar de kunstsector zelf dan moeten we vooral blijven discussiëren over de manieren waarop we vandaag en morgen mensen mee kunnen nemen; wat is het verhaal dat mensen van twintig en dertig meeneemt? Want als ik nu met mijn eigen leeftijdsgenoten en jonger spreek die de kunst welgezind zijn dan voel ik dat kunst eigenlijk op een soort nostalgische manier omarmd wordt als een mooi relikwie van onze ouders. Een gevoel dat misschien nog wel verder gaat dan alleen de kunst en zich vertaalt in een soort ongemakkelijke heimwee naar een rebelse wereld van de jaren 60 en 70 waarvan we zelf de kinderen zijn.

Iedere generatie moet zijn eigen ‘Oedipus’ door, om bij Simons te blijven, al voel ik me niet geroepen om de generatie van mijn ouders te ‘vermoorden’ omdat ik ook ideologisch zoveel met ze deel. Maar ik voel wel dat de vormen waarin we kunst beleven en maken meer moet aansluiten op de generatie die geboren is met een ‘twitter’-account en in een wereld waarin de oude maatschappelijke vormen ongelofelijk onder druk staan. Hoe we gezamenlijk vorm geven aan onze eigen directe omgeving en in relatie staan met een onze directe Europese buren en de landen daarbuiten, en op welke wijze het (kritische) ‘oordeel’ van de kunstenaar daarin een rol kan spelen, zijn belangrijke vragen die een grotere plek in het debat moeten krijgen. Kortom, werk aan de winkel, het tweede Steen-seizoen is geopend.

Steven ten Thije
Eindhoven, 23 maart 2013: Deze week zag ik op Facebook berichten over een VIP-Lounge voor stagiaires, een project van de kunstenaar Ahmet Öğüt voor Art Dubai. Zoals bij meer van zijn projecten denk je eerst dat het een grap is, maar blijft er iets knagen. Hij kiest zijn onderwerpen precies en ook de ‘stagiaire’ is weer geheel raak. In de kunstwereld lijkt de tijd dat mensen als stagiaire door het leven gaan alleen maar toe te nemen. Waar je eerst uitgaat van een jaar of twee, liefst gedurende je studie, kan je nu gemakkelijk jaren achtereen, als stagiaire door het leven gaan. Waarom? Er is gewoon geen geld om mensen voor hun werk te betalen. (Zelf)-exploitatie is een wijdverbreid fenomeen in de kunstwereld.

De stagiaire is dus een symptoom van iets groters. De stage is een van de vele mazen in het net die door iedereen gebruikt worden (mijzelf incluis) om rendement op te voeren en meer productie te draaien dan goed voor je is. Zeker in de kunstwereld waar idealisme welig tiert, is het een pijnlijke ervaring. Aan de ene kant schrijven we collectief vele (web)pagina’s vol over geëngageerde kunst, maar in het eigen huis is het net zo’n neoliberale puinhoop als elders.

Ook daarom reageerden zoveel mensen gekwetst op het verwijt ‘subsidieslurpen’. De meeste mensen in de kunstwereld maken lange dagen; een 40-urige werkweek komt velen als een paradijs voor. In de avond, in het weekend, overdag repeteren, schrijven, nieuw werk maken, altijd ben je aan de slag. De huishoudelijke puzzel, voor iedereen vandaag de dag haast onoplosbaar, is voor mensen uit de kunst een sudoku van het hoogste niveau.

Daartegenover staat een inkomen van bijna niets. Onlangs zag ik een rapport van kunstenaarsvakbond FNV Kiem waarin stond dat het gemiddelde inkomen van 7000 geregistreerde beeldend kunstenaars in Nederland € 12.000 is – een derde van een modaal inkomen. Ik begrijp daarom de frustratie over het verdwijnen van de bijzondere WW regeling voor kunstenaars heel goed. Je werkt hard, met maar een beperkt vooruitzicht op een redelijk inkomen en een van je laatste strohalmen, trekt de overheid gedachteloos uit je handen. Dat de zeer ‘beschaafde’ PdvA-er Asscher hiervoor tekent, is waardeloos..

Het Mondriaan Fonds legt in de nieuwe regels meer nadruk op een deugdelijk honorarium en is een van de weinige lichtpuntjes in deze woestijn, maar ook dit lost het structurele probleem niet op. De werkelijke voedingsbodem voor de eeuwige kunststagiaire is de ontspoorde werkethos in de kunst. Hans Abbing beschreef het al in zijn moderne klassieker Why Are Artists Poor?: meer geld levert namelijk in de regel meer arme kunstenaars op en geen betere arbeidsomstandigheden. Het gaat dus niet om geld, maar om de visie op het werk (zowel binnen als buiten de kunstwereld). In deze visie is kunst maken een uit de hand gelopen hobby en mag je al gelukkig zijn dat je het überhaupt mag doen. Ik ga niet tegenspreken dat mensen in de kunst gepassioneerd zijn, maar het is ook (gewoon) werk wat belangrijk is en normaal gewaardeerd moet worden. Begrip voor het belang van kunst en het beschrijven van de voor het maken ervan benodigde competenties behoren daarom tot de belangrijkste uitdagingen voor de herijking van kunst. Want je kunt altijd meer maken voor meer mensen, maar als niet duidelijk is waarom, dan bouw je onbewust mee aan neoliberale zandkastelen.

Steven ten Thije
Amsterdam, 14 maart 2013: Judith Herzberg gaf de volgende voetnoot:
Talent is niet iets dat je hebt
maar dat je bent. Ik deel me
dan ook graag en gratis uit
zoals de fabrikant van dit
papier (hij fabriceert voor zijn
plezier) dat ook graag
gratis levert. En dan voldaan
terugdenkt aan het gulle
menslievende bestaan
waarmee zijn dagtaak
is vervuld. De noodzaak
van het vullen van de maag
komt daarbij niet ter sprake.
Daar denkt echt niemand
aan; dat zou op zelfverrijking
lijken! De zetter zet,
dat spreekt vanzelf,
voor zijn plezier, geen geld
o nee! De huur van zijn bedrijf
het licht, zijn stoel, dat krijgt
hij allemaal cadeau. Geld? Nee!
Hoezo?

Judith Herzberg


Amsterdam, 11 maart 2013: Door de afscheidstournee van Paul Schnabel herleven zijn 5 ‘i’ s: individualisering, informatisering, informalisering, internationalisering, intensivering. Vier van de 5 ‘i’s hebben direct te maken met versterking van individuele mogelijkheden via digitalisering. Vanaf je bank neem je in je eentje informeel informatie uit de hele wereld tot je. Voor intensivering gaan we de deur uit: ervaringen beleven bij evenementen. Volgens de recente top 50 monitor betaalde evenementen bezoeken we het allerliefste filmfestivals, Pinkpop of Lowland. Het eerste hele populaire sportevenement (een tennistoernooi) komt pas op 6 binnen. De cultuur scoort geweldig.

Je kan uit deze populariteitsscore niets afleiden over de populariteit van musea of door de weekse theater- of muziekvoorstellingen. Seriëel worden die minstens even intensief bezocht. Ze bieden minder mogelijkheden voor een beleving met zijn allen tegelijk. Rijen of drukte in een zaal geven een gevoel van zekerheid: hiervoor ben je niet voor niets je huis uitgekomen. Met zijn allen alle Rembrandts tegelijk zien in het Magna Plaza, vervaardigd met digitale technieken.

Paul Schnabel vroeg zich af wat we onder ons nationaal erfgoed zouden moeten verstaan. Mensen van de frisse wind zullen naar Magna Plaza verwijzen of naar festivals; mensen op zoek naar het authentieke naar de enige echte Nachtwacht of Sterrennacht; muziekliefhebbers naar verdwijnende muziekensembles en archieven; estheten naar design. Er zijn veel elkaar overlappende dynamische groepen, en er zijn dus veel eigenaren van ‘nationaal’, van ‘erfgoed’ en van ‘nationaal erfgoed’. Het valt niet meer zo gemakkelijk te zeggen. Wie krijgt de meeste stemmen en is dat voldoende voor kwalificatie als erfgoed? Voor welke groep/gemeenschap geldt wat? Wie doet wat? Wat komt niet meer makkelijk in de aandacht? Plaatjes met algoritmes worden de nieuwe 5 letter systemen.

Inge van der Vlies
Amsterdam, 19 februari 2013: Toneelgroep Amsterdam vierde eind februari zijn 25-jarige bestaan. De Minister van Cultuur speechte, en haalde Joseph Conrad aan: ‘We exist only in so far as we hang together.’ Kunst biedt de mogelijkheid tot samenhang en tot een bredere blik doordat je bij andere groepen naar binnen kunt kijken. De minister verwees daarvoor ook naar wat Martha Nussbaum ‘narrative imagination’ noemt. Kunst geeft het vermogen om over de grenzen van je eigen ervaring heen te kijken en in de schoenen van een ander te staan.

Dat kan er natuurlijk toe leiden dat je de schoenen van een ander zou willen aantrekken. Kunst of kunstzinnige beelden kunnen dat verlangen doen groeien. Samenhang kan dan ook betekenen dat een groep mensen het erover eens is dat bepaalde schoenen het aantrekkelijkst zijn en dat ze die willen. Maar er zijn niet altijd schoenen genoeg.

Kunst kan doen inleven en daardoor harmonie en confrontatie opleveren. Mogen we hopen dat de democratie in een samenleving wordt versterkt doordat mensen zich beter kunnen inleven in de belangen van anderen? Een positief antwoord houdt natuurlijk niet in de democratische procedures en besluiten meteen veranderen. De vraag verwijst er alleen naar dat democratische besluitvorming moet worden gedragen door een cultuur van begrip voor elkaar en elkaars belangen. De Minister van Cultuur plaatst zo de kunst mooi in een breder begrip van cultuur.

Inge van der Vlies