steen in de vijver punt info
→ KAN DEMOCRATIE ZONDER KUNST?
 
 
Is kunst een voorwaarde voor democratie? Als dat zo is, dan is kunst meer dan een persoonlijke hobby en heeft ze juist daarom een wezenlijk publiek belang. Steen in de vijver wil onderzoeken wat kunst kan bijdragen aan onze hedendaagse samenleving. Deel onze missie, en denk mee!

→ bijdrage@steenindevijver.info
rimpel 1
Op vrijdag 7 september 2012 debatteerde in de Stadsschouwburg van Amsterdam een gezelschap van ongeveer 60 mensen over de plek van kunst in de huidige Nederlandse samenleving. Uitgangspunt daarbij was de stelling: ‘zonder kunst, geen democratie’.

Deelnemers aan het debat waren Ernst van den Hemel, Bram Ieven, Marjoleine de Vos, Kees Vuyk en Xandra Schutte. Het debat werd ingeleid door Hedy d’Ancona en Steven ten Thije, gemodereerd door Chris Keulemans en mede-georganiseerd door Joan Nederlof en theatergezelschap mugmetdegoudentand.

Dit verslag wil niet zozeer een samenvatting zijn van wat er allemaal gezegd is, maar probeert op constructieve wijze de verschillende denkrichtingen in verband te brengen met de centrale doelstelling van het debat: een nieuw inhoudelijk fundament formuleren van de plek van kunst in de hedendaagse samenleving. Om deze reden worden de argumenten van de sprekers geïntegreerd in de visie waarmee het debat begon: ‘zonder kunst geen democratie’. Steen in de Vijver hoopt dat deze eerste rimpel in het water, ook een eerste stap is op weg naar een breder draagvlak voor kunst als publiek belang.

de inzet van het gesprek
Hoewel het niet te ontkennen valt dat het de toon en de vorm van de recente bezuinigingen zijn die ons bij elkaar hebben gebracht, gaat de inzet van dit debat veel verder dan een kortstondig protest tegen de politieke waan van de dag. Want het lijkt erop dat de bezuinigingen op kunst geen gril waren van een inmiddels afgetreden neo-liberale regering, maar onderdeel zijn van veel grotere veranderingen in de wereld om ons heen. Het is de ambitie van Steen in de Vijver om in een serie publieke gesprekken een nieuw inhoudelijk verhaal te formuleren dat de functie van kunst in de huidige samenleving beschrijft. Voor we in een gemeenschappelijke taal zo’n visie kunnen formuleren is het nodig dat we de recente ontwikkelingen in de kunstensector eerst in een veel breder historisch perspectief plaatsen en uit zoeken welke fundamentele omwenteling in de relatie tussen kunst en samenleving precies heeft plaatsgevonden. Pas als we onszelf die inzichten hebben eigen gemaakt, kunnen ze als handvatten dienen om ons nieuwe verhaal inhoudelijk stevig te onderbouwen.

het einde van een hoofdstuk
De omwenteling die nu plaatsvindt lijkt de afsluiting te zijn van een lange periode die begon na de Tweede Wereldoorlog. Onder het ideologisch gesternte van de Koude Oorlog had kunst toen een zeer autonome en vanzelfsprekende positie in de Nederlandse samenleving. De budgetten voor kunst waren groot en stabiel. De kunstsector zelf werd in eerste instantie op armlengte afstand van de politiek gezet, door het optuigen van een machtige structuur van adviesraden. Om vervolgens in de jaren 90 voorzichtig weer iets meer te worden ingelijfd in het politieke debat.

In deze naoorlogse periode werd kunst van het democratische kapitalistische Westen door de politiek vooral ingezet of impliciet begrepen als propagandamiddel in haar ideologische strijd met het communistische Oosten. De autonomie van de Westerse kunst representeerde de vrijheid en de emancipatie van het individu en vormde zo een tegenpool tegen de propagandakunst uit het vijandige Oostblok. Kunst had daarmee een symboolfunctie. Het belang lag dus niet alleen in het effect dat het beleven van kunst op mensen had; politiek gezien was kunst vooral een symbool van de Westerse vrijheid.

Deze visie op de functie van kunst werd door vrijwel alle landen die zich in de invloedssfeer van Amerika bevonden gedeeld. Maar in Nederland werd ze nog eens versterkt door het ‘Thorbecke-principe’ dat inhoudt dat de regering geen oordelaar is van wetenschap en kunst. Dat principe werd in Nederland altijd zo geïnterpreteerd dat politici geacht werden geen inhoudelijk oordeel over kunst te vellen. Door die interpretatie viel het gesprek over het publieke belang van kunst volledig stil. Terwijl politici toch als eersten verantwoordelijk zijn voor het formuleren van visies op het publieke domein – op datgene wat van algemeen belang is. Doordat zij zich niet uitlieten over de inhoudelijke betekenis van kunst, verplaatste het gesprek zich naar een betrekkelijk specialistische niche van adviesraden, kunstkritiek, en kunstwetenschap.

Met het imploderen van de Sovjet-Unie eind jaren tachtig, kwam er een einde aan de geopolitieke machtsverhoudingen die het decor vormden waartegen Nederland haar na-oorlogse kunstbeleid had gevormd en gevoerd. In de eerste fase van euforie werd gedacht aan een overwinning van het democratische en kapitalistische Westen, maar vandaag de dag moeten we erkennen dat in plaats van een absolute dominantie van één maatschappijvisie er een versplinterde wereldorde is ontstaan. Die ook nog eens te kampen heeft met crises op allerlei niveaus. Dat is het hedendaagse decor waartegen de Nederlandse samenleving een nieuw zelfbeeld moet ontwikkelen en zich moet herpositioneren in Europa en in de wereld.

Het is te vroeg om al duidelijk te kunnen formuleren waar we ons op dit moment precies bevinden, maar duidelijk is dat vooral op het gebied van democratisch zelfbewustzijn veel is veranderd. De opkomst van het populisme in het afgelopen decennium is daar een duidelijk teken van. Nu de ideologische verkokering van de Koude Oorlog en de verzuiling verdwenen zijn, tekent zich een dynamische, democratische massa af die een nieuwe richting zoekt. Geholpen door de nieuwe media wordt op actieve, maar misschien niet altijd even inhoudelijke en constructieve wijze een discussie gevoerd over wie we zijn en waar we naar toe willen.

In deze nieuwe situatie blijft ‘vrijheid’ een ideologisch begrip, maar het is losgezongen van de kunst. Kunst als symbool van vrijheid, is niet meer. En dat is noch goed, noch slecht, maar het maakt dat kunst haar plek in deze intense, zoekende democratische samenleving opnieuw moet definiëren. Het is daarom hoog tijd dat we ons diepgaand afvragen welke plek kunst in onze samenleving heeft. En hoe ze niet alleen aan het individuele welzijn bij kan dragen, maar ook aan de samenleving als geheel.

terug naar de Verlichting om verder te gaan
Het is misschien zinvol (en hoopvol) om ons te realiseren dat we geen volledig nieuw fundament hoeven te verzinnen om antwoorden op deze vragen te kunnen formuleren. Zowel onze democratische samenleving als de plek die de vrije kunst daarin inneemt, heeft haar wortels in de Verlichting. Een beweging die in de late zeventiende eeuw in het huidige Nederland begon en in de loop van anderhalve eeuw een revolutie in het denken en de vorm van de Westerse wereld teweegbracht. Vooral de principes van de radicale variant van de Verlichting; gelijkheid, vrijheid, tolerantie, democratie en scheiding van kerk en staat, zijn nu de officiële waarden van onze samenleving.

Stilstaan bij zo’n belangrijke bron van onze hedendaagse Westerse wereld is niet alleen verhelderend, maar ook inspirerend. De Verlichting is een langdurige systematische en bewuste inspanning geweest van mensen uit allerlei geledingen van de bevolking. Door middel van boeken, pamfletten en andere geschriften is een enorme mentaliteitsverandering teweeg gebracht, die er op gericht was dat het volk zich kon bevrijden van de macht van vorst, aristocratie en kerk. Ze mondde tenslotte uit in een aantal revoluties die maken dat wij vandaag de dag vrijuit kunnen spreken over de inrichting van onze democratische samenleving. Het bewustzijn daarover kan ons zowel de moed als de richting geven om na te denken over waar wij nu op onze beurt naar toe willen met onze samenleving. En daarbij scherp te letten op de specifieke problemen en gevaren die op de loer liggen als de mens zijn eigen verstand als moreel kompas gaat hanteren.

Als eerste valt op dat in de huidige tijd van alle Verlichtingsidealen, de nadruk vooral is komen te liggen op ‘vrijheid’. En dan vooral de persoonlijke vrijheid om te kunnen zeggen en doen wat je wilt. Maar die eenzijdige focus op vrijheid, maakt dat de Verlichting verandert in een visie op het individu en niet op de samenleving. Terwijl in de Verlichting besloten ligt dat het individu niet alleen in zijn eigen leven vrij is, maar ook vrij om deel te nemen aan het proces van besturen. Iedereen heeft het recht, en in zekere zin de verantwoordelijkheid, om een visie te ontwikkelen op wat van algemeen belang is. De Verlichting staat daarmee niet alleen voor het ideaal van vrijheid, maar voor een specifieke praktijk van samenleven.

De basiswaarden van de Verlichting; vrijheid, gelijkheid en tolerantie zijn een pre-conditie voor een goed functionerende democratie. De Duitse Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant heeft die pre-conditie misschien wel het mooist samengevat door in zijn tekst ‘Wat is Verlichting?’ te stellen dat Verlichting betekent dat mensen zich moeten ontdoen van hun ‘zelfopgelegde onmondigheid’. Daarmee bedoelde hij dat ze kritisch moesten nadenken over principes en idealen die van buiten opgelegd werden door Kerk en Staat en daarom hun eigen denkkracht moesten ontwikkelen.

Tegenwoordig doet zich het bizarre verschijnsel voor dat de mondigheid waar Kant op doelde, zo is doorgeslagen dat bijna iedereen zijn mening al klaar heeft zonder het kritische nadenken dat daaraan vooraf gaat. De irrationele mondigheid die daarmee is ontstaan en de opvatting dat vrijheid vooral een ‘recht’ is en geen ‘plicht’ maakt we ons nog steeds in moeten spannen om ons niet gedachteloos over te geven aan bestaande wetten en vanzelfsprekende regels. Of om ons te verliezen in onze eigen verlangens. Het individu moet nadenken en zich uitspreken over het geheel, dat was en is de uitdaging van de Verlichting.

de Verlichting en de praktijk van een vrije kunst
Recentelijk is het de Franse filosoof Jacques Rancière geweest die zich heeft ingespannen om het verband tussen de nieuwe democratische politieke ordening van de Verlichting en het ontstaan van een vrije, autonome kunst te beschrijven.
Centraal hierbij staat zijn analyse van de structurele rol die het ervaren van kunst speelt in het democratische proces. De gedachtegang die hier achter ligt gaat grofweg als volgt. Aan de basis van een democratische samenleving staat de constructieve uitwisseling tussen mensen, die samen zoeken naar een manier om het publieke deel van het leven vorm te geven. Om tot dergelijke uitwisselingen te komen is het niet toereikend als we elkaar alleen logisch of rationeel verstaan, maar we moeten elkaar ook simpelweg zien staan; we moeten elkaar ervaren in de meest letterlijke zin van het woord. Iets kunnen zien, horen of voelen is niet een basisvaardigheid van elke mens, maar is het resultaat van een ‘sensorium’, een innerlijk gebied, dat heeft geleerd zich daarvoor open te stellen.

De vrijheid, of autonomie van de kunstervaring, die door de Verlichting een vlucht nam, speelde bij de vorming van dat sensorium een belangrijke rol. Door kunst als vrij of autonoom te beschouwen kwam niet meer de ‘inhoud’ van het kunstwerk centraal te staan, maar kreeg de ervaring zelf een centrale rol. Hoe verschillend de kunstdisciplines ook waren, de kunstervaring hielp mensen om een empathisch vermogen te ontwikkelen dat hun ontvankelijker maakte voor het democratische proces.

Op het moment dat Rancière zich de afgelopen decennia in de Verlichting verdiept, doet hij dat omdat hij ziet dat het democratische gesprek is vastgelopen. Vooral de teloorgang van het Verlichtingsideaal van de ‘gelijkheid’ speelt daarbij een grote rol. Niet alleen is er in de huidige tijd een enorme ongelijkheid ontstaan in welvaart, maar ook in de verdeling van kennis en macht. Waar vroeger gelijkheid werd nagestreefd om mensen te verlossen van de bevoogding van kerk, vorst en aristocratie, ziet Rancière bijvoorbeeld dat in de huidige tijd intellectuelen zich te veel opwerpen als degenen die de waarheid in pacht hebben en die vanuit hun maatschappelijke status opdringen aan hun mede-burgers. En daarnaast lijkt, zoals eerder opgemerkt, de ‘mondige’ burger zich als spiegelbeeld te gedragen van de autoritaire intellectueel, door elke vorm van specialistische autoriteit als elitair te veroordelen met geen andere onderbouwing dan ‘ik vind’. Het zijn twee zijden van dezelfde medaille. Beiden sluiten de ander buiten als gesprekspartner. Beiden breken met de principes van de Verlichting. Vrije kunst zou door haar bijdrage aan het dynamisch houden van het democratische proces, die verstarde vormen van moderne ongelijkheid misschien weer in beweging kunnen krijgen.

terug naar het uitgangspunt
Keren we na deze historische omweg weer terug naar ons uitgangspunt, dan valt op dat de sterren gunstig staan om het democratische gesprek een nieuwe impuls te geven. En om de functie van kunst daarbij opnieuw te formuleren. Initiatieven als ‘occupy’ getuigen van dat momentum, omdat ze de graai-grage banken niet als geïsoleerd iets aanvallen, maar als icoon begrijpen van een niet-functionerend publiek domein en democratisch proces. Ook andere initiatieven zetten vraagtekens bij de kwaliteit van het huidige democratische proces of spreken hun bezorgdheid uit over de vanzelfsprekendheid waarmee het publieke domein zolang is verwaarloosd.

Tegen deze achtergrond is het mogelijk om na te denken over hoe de kunstervaring ons helpt om samen te leven. Zonder te willen bepalen of kunst concreet of abstract moet zijn, subliem of shockerend, spiritueel of geëngageerd, is het mogelijk om de gedeelde structuur van de kunstervaring – de open blik – als inhoudelijk fundament te begrijpen voor kunst als constructief onderdeel van het publieke domein. Op die manier zou het publieke gesprek over kunst weer kunnen gaan over datgene waarover het zou moeten gaan: hoe draagt kunst bij aan onze samenleving en hoe zorg je daar het beste voor? Zonder kunst geen democratie, is geen aanval of verdediging. Het is een constatering die als basis kan dienen voor hoe nu verder.

vooruitblik naar rimpel 2
Steen in de Vijver wil alle sprekers en toehoorders hartelijk danken voor hun aanwezigheid en inbreng op 7 september. Het vergt enig doorzettingsvermogen om ons gezamenlijk door een aantal historische ontwikkelingen heen te worstelen en een gemeenschappelijke taal te ontwikkelen. Maar we hopen dat uw enthousiasme, net als het onze, alleen maar groeit als we voor ogen blijven houden waar we naartoe willen: een goed inhoudelijk en nieuw verhaal over kunst in de hedendaagse samenleving. Om dat doel te bereiken gaat Steen in de Vijver nog een aantal publieke gesprekken organiseren rond thema’s die daarbij van belang zijn.

Voor nu nodigt ze u van harte uit om een schriftelijke reactie te geven op deze eerste rimpel.

→ bijdrage@steenindevijver.info





reacties op rimpel 1